???

In een wereld die vast leek te zitten in een eindeloze lus, verliep elke dag precies hetzelfde. Geen mensen, geen dieren en zeker geen stemmen. Alleen een man en zijn gedachten. Zijn naam? Die wist hij zelf niet eens meer. Misschien was hij hem vergeten. Of misschien had hij hem al zo lang niet meer gebruikt dat hij simpelweg verdwenen was.
Toch was hij niet helemaal alleen. Af en toe verscheen er iemand in de verte. Een vreemde figuur die tussen de bomen stond of even achter een heuvel vandaan keek. Maar zodra hij nog eens keek, was die persoon verdwenen. Alsof hij er nooit was geweest. In het begin dacht hij dat hij dingen zag. Dat gebeurt nu eenmaal als je jarenlang alleen bent, dacht hij. Uiteindelijk raakte hij eraan gewend. Het waren gewoon trucjes van zijn eigen gedachtes.
Tot op een dag alles veranderde. Hij werd wakker en bevond zich plotseling ergens anders. De wereld om hem heen was volledig vlak. Lange rijen bomen stonden netjes naast elkaar geplant en strekten zich uit tot aan de horizon. Waar hij ook keek, zag hij dezelfde bomen. Hij begon te lopen. Minuten werden uren, uren voelden als dagen. Maar hoe ver hij ook kwam, niets veranderde. Het leek alsof de tijd zelf stil stond. Toen zag hij iets.
Een huis, een normaal, klein, hout huisje. Klein en eenzaam stond het tussen de eindeloze rijen bomen. Voor het eerst sinds lange tijd voelde hij iets van hoop. Van buiten zag alles er normaal uit, een deur, een paar ramen en een dak. Tot hij een deur opende, achter die deur zat geen kamer, geen muur, geen vloer, helemaal niks, alleen een zwarte leegte. Een bodemloze afgrond. Hij staarde erin. Zijn hart bonsde in zijn borst. Een wanhopige man en een onbekende leegte. Misschien was dit een uitgang of misschien was dit eindelijk een manier om te ontsnappen.
Zonder verder na te denken zette hij een stap naar voren.
Op hetzelfde moment verdween de wereld om hem heen. Toen hij weer kon zien, stond hij midden in een doolhof van koude stenen muren. Een enge rilling trok door zijn lichaam. Er klonken vreemde geluiden vanuit de gangen. Zachte echo’s. Voetstappen misschien. Of iets anders. Hij begon te rennen, dat was eenmaal het enigste dat hij kon doen. Hij liep, niet omdat hij wist waarvoor hij vluchtte, maar omdat elke vezel in zijn lichaam schreeuwde dat hij moest wegkomen.
Hij rende door eindeloze gangen en scherpe bochten. De tijd verloor opnieuw alle betekenis. Misschien rende hij minuten. Toen stopte hij, uit het niks. Voor hem zweefde een enorm oog, een enkel oog. Het keek recht naar hem en hij keek terug.
Een paar seconden stonden ze bewegingloos tegenover elkaar. Oog in oog. Toen knipperde het en kwam langzaam dichterbij. Hij wist niet wat het was noch wist hij niet wat het wilde. Maar hij wist één ding zeker en dat was dat hij moet weglopen en deze keer rende hij voor zijn leven.

Meer over



